POSTMODERN
kritische strategieën van geschiedenis en ontwerp

Na de 2de wereldoorlog ontstaat eerst intern later extern kritiek op de Moderne Architectuur. De nadruk op functionaliteit die de overheid en bouwpraktijk op de ontwerppraktijk legde, heeft zowel pluriformiteit van het alledaagse leven gereduceerd tot een gebruikers-cultuur als de culturele dimensie van de geschiedenis in een wegwerpcultuur omgezet. Allereerst ontstaat een populistische druk op de overheid en worden de architecten als 'slippendragers' van het kapitaal geweerd.

Dan flakkert het architectuurdebat vanaf de jaren '60-'70 weer, om met de eis van 'leefbaarheid' nog een keer 'Goed Wonen' na te streven, om rond 1980 via spectaculaire Post Moderne manifesten een ongebreidelde stroom van individuele ontwerpvisies te produceren. Deze zijn overigens een resultaat van de 'postmoderne conditie' zoals onder meer de filosoof Lyotard vaststelt, waarin hij de vaak nostalgische vluchtpogingen naar de geschiedenis wel van kritiek voorziet, maar het streven naar heterogeniteit waardeert wegens de 'Oorlog aan het Ene': het vaak commerciële streven naar 'homogenisering'.

Voordien stelde Charles Jencks als woordvoerder van de 'Language of Post Modern Architecture' het definitieve fiasco van het 'moderne project' vast dat in feite vanaf de Verlichting in werk is gesteld. Nadat deze tenslotte eenduidige doelstelling volledig zou zijn gefragmenteerd trachtte hij niet alleen de diverse stromingen te 'labellen' en in interactieve stroomschema's te ordenen, maar hiermee vooral aan te tonen dat het om een 'multivalente' architectuur zou moeten gaan. Het is zijn stelling dat vele opvattingen naast elkaar (moeten) kunnen bestaan.

Waar het 'moderne' voorheen werd beschouwd als een vooruitgangsdenken dat het verleden achter zich liet, zoals een 'oceaanstomer' naar een nieuw bestaan voer, is de metafoor van het Post Moderne tijdperk volgens filosoof Deleuze de 'sufplank' waarop op lenige wijzen op de diverse golfbewegingen moet worden gereageerd. De architect lijkt nog het meest op een DJ en de architectuur op een 'sample'. Vaak gevoed door een intellectueel debat, maar wellicht nog vaker door alert maar intuïtief te reageren, houdt de architect zich binnen de vloedgolf aan mogelijke uitdragingen overeind. Het komt niet meer aan op een strenge onderwerping van de werkelijkheid door middel van modellen maar om zowel de onbegrensde mogelijkheden van de chaos(theorie) te onderzoeken ten bate van een nieuw tijd/ruimte concept dan wel de materiele begrenzingen van een zintuiglijk te ervaren gebouw te realiseren.

 

oefening POSTMODERN
kritiek in the jumping universe

Evenals bij de eerste opdracht gaat het hier opnieuw om een beroep te doen op de eigen fantasie, intuïtie en beleving. Als het Postmoderne bewustzijn onder meer kan worden omschreven als een commentaar op de inmiddels uitgeholde Moderne Architectuurbegrippen, is het de vraag hoe de crisis ervan zo kan worden versterkt dat een creatief proces er het gevolg van kan zijn. Zien we de huidige architecten de pure witte vorm bestrijden met een expressieve kleur- en materiaalcontrasten of breken zij de perfectie ervan open, of extrapoleren zij de strikt constructieve logica via gewaagde avances met een hogere technologie, of penetreren zij op sluwe maar elegante wijze het bestaande stadsweefsel? Het zijn kortom de deejays van het bouwen, beschreven door onder andere Jencks, Klotz, Tzonis, Ibelings, Steel, of in tijdschriften als Archis en de Architect.

En jij? Zou jij de geijkte traditie niet - via het op scherp stellen van de vermogens van de vorm, van de constructie, van de functionele organisatie en dergelijke - een creatieve crisis kunnen uitlokken en tevens op ingenieuze wijze nuchter kunnen blijven? Werd dit ooit 'Maniërisme' genoemd met het doel om een nieuwe schoonheid te verkrijgen en wordt dit nu met het eufemisme 'kwaliteit' omschreven, lijkt het opnieuw te gaan om de ultieme 'kick' van de ontwerper en producent en het 'wow' van de gebruiker en consument. Zij zijn immers beiden in een 'extase' van verleidelijkheid verwikkeld door Baudrillard als 'simulacrum' (schijnwerkelijkheid) beschreven. En wie sprak er van de cultuur van hedonisme onder het mom van pragmatisme? Gaat het in het 'Anything goes!' om een maakbare en smakelijke architectuur? 

Bewerk een modern gebouw of ontwerp zodanig via woorden en schetsen dat een nieuwe visie kan worden afgelezen. Óf geef in een postmodern gebouw (van bijvoorbeeld Stirling, Rossi, Eisenman, Gehry, Nouvel, Koolhaas, Tschumi) aan hoe het verschilt van, of herleid kan worden tot zijn moderne voorganger (eveneens in woord en beeld). Zorg er in ieder geval voor dat je keuze voor een onderwerp/ontwerp voor jou een uitdaging betekent, hetzij om je eigen nuchterheid te prikkelen, hetzij om je intuïtie met argumenten aan te vullen.