REVEIL
de vraag naar stijl en de opkomst van de ingenieurs

In de angstige verwachting, dat de sociale en industriële revoluties tot een teloorgang van de architectuur, het gezin, de stad, kortom tot het verdwijnen van het cultureel erfgoed zouden leiden, roepen diverse 19e-eeuwse architectuurtheoretici op tot een terugkeer naar de ‘Geschiedenis’ als de bron van de ‘ware’ stijl(en), tevens en vooral naar de ‘Natuur als de moeder van de Kunsten of als de vader van de traditionele bouwmaterialen. Terwijl Durand eerder in 1805 het stijlbeginsel veroordeelde ten bate van Nuttigheid, stelt onder andere Heinrich Hübsch in 1828 de vraag naar de Cultuur : ‘In welchem Still sollen wir bauen?’ De 19e eeuw is dan ook een periode, waarin de neostijlen elkaar verdringen, maar tevens komt hierin het inzicht van de ingenieurskunst naar voren. Tegenstrijdige bewegingen van inventieve vooruitgang en morele terugkeer tot het ambacht zijn bepalend voor een eeuw, die als een periode van verwarring wordt gezien.

Vooral de fris opgeleide Polytechnische ingenieurs omarmden gretig de nieuwe materialen zoals ijzer, later het minder broze maar lenige staal, in combinatie met glas en later beton om de nieuwe Zeitgeist tot expressie te brengen : een ondernemerschap waarin de logica van techniek zonder al te aanwezige esthetiek de hoofdrol vervulde. Zo vormden de grote openbare werken zoals bruggen, stations en expositiehallen tevens een ingrijpende bijdrage aan een nieuwe stedelijke openbaarheid.

Het gaat hier om een langdurig maatschappelijk proces, dat zijn aanvang kent in de bouw van de Ste.Geneviève (ofwel het Pantheon te Parijs) van Soufflot in 1756 en de gelijknamige bibliotheek van Labrouste; in beide dient zich de constructie als een verborgen systeem aan. Voorts verschijnt de ingenieursconstructie in de openbaarheid zoals in de eerste gietijzeren brug in Coalbrookdale in 1777 tot aan de imposante stalen brug over de Firth of Forth in 1882, in de eerste staalskeletconstructie in 1871 in de fabriek in Noisiel sur Marne, maar vooral in het Crystal Palace, dat Paxton in 1851 te Londen ontwierp. Dit laatste wordt nog altijd als het begin gezien van de 20' eeuwse ingenieursconstructies. De eerste pleitbezorger van een door de industrie gestuurde bouwwijze is de architectuurtheoreticus (en grondlegger van de ETH Zürich) Gottfied Semper, die met zijn verhandeling ‘Kunst, Industrie en Wetenschap’ een synthese tussen deze nieuwe ontwikkelingen voorstond. Van de kunstwerken van het verleden merkte hij op: ‘Sie gehören uns gar nicht an’. Het is onder meer Eifel geweest, die met zijn staalconstructies zowel in Parijs als in New York de nieuwe monumenten heeft geleverd : de Eifeltoren en het Vrijheidsbeeld. Geplaatst in een reeks van de Cheops-piramide, het Pantheon en de St.Pieter in Rome, kon deze ingenieurskunst worden beschouwd als de eindfase van een progressieve ontwikkeling van het bouwen.

Men beschouwde al deze ontwikkelingen desondanks tevens als uitdrukkingen van een materialistische levensopvatting, waarin het menselijk ambacht en de cultuur van de geest verloren zouden gaan, ja zelfs ten ondergaan in een Abendlandische Kultur....... Een tegenbeweging liet dan ook niet lang op zich wachten. De morele verontrusting rond het oprukkend ingenieursdenken, dat mede uit de industriële revoluties was voortgekomen, leidde zowel tot een terugkeer naar het Middeleeuwse ideaal van het bouwgilde en het ambacht als tot een herstel van de Renaissance experimenten, die in het Classicisme zo waren verguisd.

Met name is het Pugin, die met zijn ‘True principles of Pointed or Christian Architecture’ uit 1836 de Neo-Gothiek tot inzet maakt om het ingenieursdenken, dat zich volgens hem uit het Classicisme had ontwikkeld, te weerleggen. Zo ook Violet le Duc, die met zijn ‘Entretiens de l’architecture’ rond 1864 zowel de Neo-gothiek bepleit als dat hiermee de grondslag wordt gelegd voor een functioneel en constructief heldere bouwkunst. Zowel Gaudi in Spanje als Cuypers en Berlage in Holland hebben zich op diens theoretische stellingen beroepen. De eersten zetten de christelijke ethiek voort, de laatste had zich echter met de Marxistische moraal verbonden. Het is onder andere vanuit het manifest van Marx, dat zijn kritiek op de ‘vervreemding’ velen de zijde van het proletariaat doet kiezen. Zo formuleert William Morris het Arts and Crafts-ideaal, dat neerkomt op de opvatting, dat kunst slechts uit het ‘plezier door ambacht’ kan ontstaan, terwijl fabrieksarbeid de werkende mens zou vervreemden. ‘The red house’ dat hij door Philip Webb laat bouwen vormt met zijn plattegrond, maar vooral de bouwwijze hiervan een gebouwd moreel manifest. Anderen bouwen hierop voort zoals Voisey, die met zijn ‘cottage style’ het voorbeeld vormt voor Muthesius, die met zijn boek ‘Das Englische Landhaus’ enorme invloed zal krijgen.

De 19de eeuw kan dan ook worden gezien als een periode, waarin de turbulente vernieuwingen voor velen aanleiding vormen om de architectuur als een moreel en bovenal als sociaal vraagstuk te benaderen. In de 20' eeuw zullen de ingenieurskunst en het sociale reveil tot een synthese leiden en als de Moderne Beweging bekend worden. Kortom ; het gaat hier om een paradoxale grondslag, die het 19e-eeuwse denken zo boeiend maakt in hun stellingname voor een humane architectuur.

Onderling betwistten de tegenbewegingen elkaar hun stellingnamen. Zo stond in Wenen de Jugendstilbeweging ( in Brussel de Art Nouveau en in Engeland het werk van MacIntosh) met de ambitie om traditionele en moderne materialen op een ‘natuurlijke’ wijze samen te brengen tegenover het standpunt van Adolf Loos,die deze overdaad aan ‘ornament’ poogde te bestrijden door de aandacht voor ‘das Andere’, dwz voor het wezenlijke verschil tussen materialen en functies te bepleiten. Hierin komt zijn stellingname tegen het ‘ornament’ tot uiting, waarin ‘menselijke arbeid, geld en materiaal worden verspild’.

In zijn beruchte ontwerp voor een huis aan de Michaëlerplatz is zijn stellingname tweezijdig: het is zowel een kritiek op de laat barokke stijl van het tegenoverliggende keizerlijk paleis als op de Jugendstil, daar beiden de architectuur met een ornamentele huid toedekken en het ‘moderne’ levensgevoel niet toelaten, waarin de naakte waarheid (in dit geval het verschil in functies van woning en winkel) verschijnt en de schijnheiligheid van het conservatisme (dat alle verschillen onder één stijl verbergt) wordt aangetoond.

Het ‘Raumplan’ van Loos, dat een in elkaar grijpende ruimtelijkheid poneert, kent wonderlijk genoeg zijn pendant in het werk van de Belgische Art Nouveau architect Horta. Diens ruimtelijkheid en eerlijk materiaalgebruik vormen, tezamen met zijn sociale betrokkenheid, voor de historicus Benevolo de aanleiding om een volstrekt nieuw architectuuridioom vast te stellen, dat van beiden de basis vormt van het tijd-ruimte concept van de 20e-eeuwse architectuur. Een architectuur, die zich aanvankelijk aan stijl zal trachten te onttrekken, om in een zo mogelijk nog grotere stijldiscussie van het Postmodernisme te eindigen.


oefening REVEIL
het schrijven van een manifest of het tot expressie brengen van de techniek

Stel een ‘Manifest’ samen, dat via woord én beeld oproept voor een herstel van maatschappelijke waarde middels architectuur. Hierin dient het woord niet slechts via het argument te overreden, maar vooral via de moraal de negatieve ontwikkeling te bezweren en een nieuw ideaal te scheppen.
Tekst en beelden, dienen, die architectuur te tonen, waarvan de Schoonheid als ‘edele eenvoud’, of Natuur als ‘heilig vuur’ of het Gezin als ‘bouwsteen’ van de samenleving een wervend vermogen bevat om het (vermeend) ‘materialisme’ van de techniek te weerleggen. Dit alles moet als een pamflet of een poster gerealiseerd worden: pakkend, overtuigend, kort en krachtig. Tekst, afbeelding en lay-out dienen elkaar te versterken. Formaat A4 of groter. (degenen die de oefening Utopie gemaakt hebben, kunnen deze wellicht als aanleiding gebruiken voor hun manifest)

Tenslotte kan er plaatsvervangend ook voor worden gekozen om de logica van een ingenieurswerk via tekening of maquette tot uitdrukking te brengen.


   
- DE ASSISTENT:
Doe een oproep, schud de mensen wakker, maak een tot daden leidende kracht poster.
Een handjevol jongeren nam het niet langer. Ze schilderden, schreven en maakten muziek, maar wat ze ook deden, de gevestigde kunstopvattingen die ze in Milaan, Zurich, Parijs en Berlijn, Moskou en Petersburg om zich heen zagen, beviel hun allerminst.
Dat moest anders. Een klap in het gezicht van de publieke smaak!

Enkele namen: Burliuk, Kandinsky, Khlebnikov, Malevich, nu in de catalogus van de tentoonstelling The Russian Avant-Garde, Museum of Modern Art, New York.