| ---Inleiding |
|
Hierin betreft de term transmoderne architectuur een inzicht, waarin de ‘lange duur’ van de geschiedenis de actualiteit relativeert, maar andersom zijn het de kortstondige gebeurtenissen, die de universele geldigheid van de lange duur ter discussie stellen. Tenslotte gaat het naast een besef van tijd, tevens om een ruimtelijk inzicht, waarin de multiculturele werkelijkheid de geschiedschrijving tot een inzicht van gelaagdheid brengt. Zo wordt in het college het transmoderne denken en handelen verhelderd als een complex stelsel van beweeglijke strategieën, waarin architectuur minder als een totaal en statisch ontwerp verschijnt, maar meer als een dynamisch scenario, dat eerder de werkelijkheid aanstuurt dan deze te willen beheersen. De werkelijkheid wordt hier in tegenstelling tot de conventionele opvattingen, dat deze ‘overzichtelijk’ en dus ook ‘maakbaar’ zou zijn opgevat als een raadsel. De werkelijkheid laat zich, zoals de architect Libeskind stelt, eerder als een ‘onuitputtelijke tekst’ beschrijven, terwijl haar vermogen eerder wordt vergroot door het raadsel als cultureel bolwerk te handhaven dan het als probleem ‘op te lossen’ met het risico om daarmee de beschaving af te schaven, te reduceren. De kunst wordt dan om met het raadsel te leven, het niet uit te wissen, maar de vitaliteit ervan te versterken. Aldus houdt transmoderniteit geen volstrekte doorzichtigheid in, maar een translucentie, waarin de werkelijkheid af en toe oplicht of verduistert, al naar gelang er wordt ingegrepen respectievelijk ontworpen. Het gaat er niet om de geschiedenis tot een obligate reeks stijlbegrippen te reduceren en zo haar complexe raadsel op te lossen, maar om er vraagstelingen aan te ontlokken, die geschiedenis in de richting brengen van een theoretische reflectie, opdat er diverse architectonische concepten kunnen worden gegenereerd. Deze bieden mede de mentale grondslag voor het ontwerpen, ofschoon het ontwerp is niet rechtstreeks van de geschiedenis kan worden afgeleid. Geschiedenis zoekt ondanks haar terugblik in de tijd nieuwe wegen voor de toekomst en neemt aldus een kritische positie in ten opzichte van de traditie als de lange duur, hetgeen haar moderniteit uitmaakt. Geschiedenis en ontwerpen van architectuur zijn dus - in relatie tot elkaar – beide raadsels. Een ontwerp kan de geschiedenis immers het zwijgen opleggen, terwijl de geschiedenis van een ontwerp 1001 verhalen kan vertellen die elkaar allen tegenspreken. De paradox is dat er slechts helderheid ontstaat door het raadsel van beiden te vergroten, te intensiveren en te verruimen tot een realiteit die nu eenmaal complex maar daarmee ook compleet is. Maar gaat het dan niet om heldere oplossingen? Moeten we de geschiedenis van de ’architectuur niet gebruiken om lessen te trekken uit haar lange duur, en haar lange adem zien als een mogelijke voorspelling ? En krijgt een bouwkundig ontwerp niet ook een culturele duurzaamheid als het zich in een wijder tijdsbestek ontwikkelt dan in de korte adem van de actualiteit 7 Natuurlijk, maar het is vooral het actuele inzicht, dat geschiedenis niet als eenduidige bewijs voor een goed ontwerp is te gebruiken. Recent zien wij in dat het utopisch denken, dat zowel de geschiedenis als het ontwerpen eeuwenlang heeft bepaald een kritiekloze verblinding kan inhouden. Leek de geschiedenis aanvankelijk een opeenvolging van in zichzelf besloten stijlen, zo blijkt recent, dat geschiedenis eerder een complex aan ontwikkelingslijnen ofwel strategieën toont, dan één dominante lijn, die eeuwenlang door een koning of door een gemeenschap werd opgelegd. Geschiedenis blijkt overigens afhankelijk te zijn van de geschiedschrijving. De al of niet zichtbare visie van de historicus blijkt zich te bewegen tussen een feitelijke reconstructie en een visionair verhaal. Zo ook de architect, die zich tussen traditie en moderniteit opstelt en de conventies met inventies combineert. In beide gevallen gaat het om een interpretatie cq een ontwerp, waarin feiten met overtuigingen worden vermengd. Dit mengsel is, hoe men ook tracht een helder inzicht te verkrijgen, een raadsel, dat zowel aantrekkelijk kan zijn of bedrieglijk.Een ontwerp is dan ook altijd de neerslag geweest van een complex aan ontwikkelingen en met name geldt dit voor onze huidige pluriforme tijd. Hoe helder een ontwerp in ruimtelijk of constructief opzicht ook mag lijken gaat het altijd om haar raadselachtige kwaliteit. Een historicus ontkomt evenmin aan de combinatie van feit en fictie, opdat zijn tekst zowel informatief als boeiend is. Het raadsel van een ontwerp, dat als gebouw de tijd overwint beschrijft op de een of andere wijze zijn kwaliteit. Het betreft de mythe van het object, die een balans vormt tussen realiteit en ideaal. Het ideaal kan de realiteit bezweren, maar de realiteit kan ook een ideaal maskeren. Daar het om een oneindig aantal idealen en realiteiten gaat bestaan er mythen en mythologieën (zoals Roland Barthes ze heeft beschreven), die niet slechts het verleden van de godenwereld betreffen, maar evenzeer de actuele wereld in haar ban houden. Het gaat er niet om deze mythen te mystificeren, maar om met de mythen te leren omgaan, daar ze zowel vitale krachten bevatten als dat ze tot duistere praktijken kunnen leiden. Hiertoe is het nodig om ze te houden en te onderhouden, maar tevens om er een onderhoud mee aan te gaan, een dialoog. Of het nu een klassiek monument betreft of een geavanceerde nieuwbouw moet de werkelijkheid van het ontwerp dan ook niet tot een enkelvoudig model van welk doel of doelgroep worden gereduceerd, maar moet op rationele wijze het irrationele karakter ervan worden aanvaard en benut om alle historische tegenstellingen en verschillen te respecteren cq te vitaliseren. Niet de werkelijkheid bezweren, maar ruimte scheppen voor een onbezworen werkelijkheid zou het doel moeten zijn van de architectuur en haar geschiedenis.Met terugwerkende kracht blijkt dit bewustzijn ook eeuwenoud te zijn, hetgeen zowel in het college als de oefening wordt duidelijk gemaakt.Dit geschiedt via de volgende thema’s, die zowel aan de actualiteit als aan de geschiedenis zijn ontleend. Alvorens geschiedenis meer systematisch werd geschreven bestond voor iedere cultuur een scheppingsverhaal, waarin aanvankelijk op beeldende en non-verbale wijze de eigen mythologie een achtergrond vormde voor culturele objecten zoals bouwwerken. Het is een geschiedschrijving van de eeuwige duur, waarin de wereld van de goden de achtergrond vormde van onsterfelijke gebouwen. Gebouwen waren echter net als de mensen sterfelijk ; hun feitelijkheid is met de mythe van de eeuwigheid verbonden. Zo gold ook voor de geschiedschrijving zoals die van Herodotes en Homerus, dat de feiten en ficties met elkaar verweven waren. Iedere cultuur kent dus zowel een scheppingsverhaal als een bakermat, waarin de eigen ontwikkeling zou zijn begonnen. Voor een deel is een en ander op feiten gebaseerd, maar voor een ander deel betreft het een fictie. Allereerst kan de geschiedschrijver niet altijd over een volledigheid aan feiten beschikken en verder geldt voor zowel de historicus als voor de architect, dat de betrekkelijke zekerheid van het prille bestaan paradoxaal genoeg bijdraagt aan een notie van eeuwige waarden. Daarom noemen we alle tempels, ook al zijn het nog slechts ruïnes, monumenten : mysterie-plaatsen om de herinnering levend te houden. We accepteren dan ook de mythe als een verloren, maar tevens hoopvol ideaal, dat ons mogelijk weer opnieuw zal toevallen. Nog altijd laten we ons meevoeren door de verhalen van Homerus waarin feiten en ficties ook nu nog op gespannen voet staan. We zien de eerste geschiedschrijver Herodotus zich verbazen over de Egyptische cultuur een aanleiding om het ‘andere’ onder ogen te zien : niet één oorsprong of bakermat, niet één scheppingsverhaal of geschiedenis, maar meerdere narratieve werkelijkheden bepalen ons historisch besef. Waar de gedachte aan een oorsprong met een geloof of een politieke overtuiging is verbonden voorzag men altijd een ideale toekomst door de lijn van de geschiedenis door te trekken. Het ontwerp van een dergelijke toekomst heet utopie of ideologie, waarin de oorsprong als legitimatie wordt gebruikt : we zouden terug moeten gaan naar het verleden om van de fouten van de ontwikkeling te leren om ons doel te bereiken door de traditie op moderne wijze voort te zetten. Het is een ‘houding’, die ook samenhangt met de term, theorie, van het Griekse ‘theorein’, die naast houding ook een ‘blik’ betekent ‘zoals de goden konden zien, dat wil zeggen schouwen’. Als in de 16e eeuw Vasari de geschiedenis beschrijft van de ‘levens van de kunstenaars’ ontstaat een ‘gepersonificeerde’ geschiedschrijving, die tenslotte in de zogeheten ‘stijlengeschiedenis’ is uitgemond, en welke met de termen : ‘geboorte, wasdom en verval wordt aangeduid. Dat wil zeggen dat de werken van de kunstenaars op een biografische wijze werden gerangschikt om tenslotte in een concept van voortschrijdende ontwikkeling van ‘schoonheid’ te worden beoordeeld. Binnen het klassieke / primitieve wereldbeeld golden de 10 boeken van Vitruvius als maatstaven om gebouwen te ontwerpen en te realiseren. Zijn theorie heeft eeuwenlang via eigentijdse opvattingen de architectuur haar kwaliteit helpen verlenen om, zoals Vitruvius stelde, ‘beunhazerij’ te voorkomen. Ten onrechte reduceren (!) we vaak zijn complexe theorie tot slechts drie criteria: venustas, firmitas en utilitas met schoonheid als hoogste spiritueel streven als top van een driehoek met de maatstaven stevigheid en nuttigheid als tweezijdige materiële basis. Destijds ging het de oorspronkelijke auteur Colonna om het architecture’landschap’ van de Renaissance te beschrijven door middel van het liefdesverhaal van de hoofpersoon Poliphili. Beide teksten zijn zowel van een fabelachtig erudiet niveau als van een eenvoud, de vertelling eigen. En buiten deze kring van professionele historici en kritici zijn er de schrijvers zoals Hella Haasse, Milan Kundera, Umberto Eco, Gyorgy Konrad, Oek de Jong, Renate Dorrestein e.d. die behalve het ‘geheim van de schrijver’ zelf uiteen te hebben gezet, hun persoonlijke betrokkenheid met de gebeurtenissen in de tijd hebben opgevat als een zoektocht naar een persoonlijke waarheid, waarin architectuur vaak in de meest brede en intrigerende zin aanwezig is. Het is typerend voor onze postmoderne tijd, dat ieder zijn orde in de gebeurtenissen aanbrengt. Tegenwoordig maakt in het utiliteitsdenken (als hoogste culturele notie) het begrip ‘schoonheid’ hooguit deel uit van een T.V. programma. (‘Van de schoonheid en de troost’) Dit terwijl het begrip ‘kwaliteit’ algemeen aanvaard lijkt, maar al even complex en discutabel is als het schoonheidsbegrip schoonheid in de bouwkunst via de 19e-eeuwse begrippen „waarheid en karakter”. Deze worden bepaald door een persoonlijke visie op óf een bijzondere verschijning van het gebouw óf door zijn „bestemming” : de functie. In onze eeuw is het doelmatige gebouw tezamen met een verantwoorde constructie en budget dé overwegende optie geworden . Dit functionele concept is onder meer door JNL Durand in de 19e eeuw radicaal geformuleerd door met schoonheid als stijlbegrip af te rekenen en alle gebouwen in de geschiedenis op hun functie te herleiden en te rangschikken. Zo was voor hem een tempel verwant met een kerk, een piramide met een mausoleum. Hiermee was een eind gekomen aan het eeuwenlange Vitruvianisme, dat echter nog altijd latent aanwezig is, hetzij genuanceerd en kritisch ingezet hetzij gereduceerd tot een terugkeer naar de conventies. Behalve het Vitruvianisme bestaan nog talloze historische procédés van lange duur, waarin ofwel de ‘navolging van de Antieken‘ (Winckelman) ofwel ‘Onlangs stelde de architectuurhistoricus Auke van der Woud de vraag naar verloren unevitable trends’ (Jencks) werden geponeerd. Hierin is nog altijd het spanningsveld tussen ‘verhaal’ en ‘feitelijke weergave’ aanwezig. Recent is de meest intrigerende architectuur-roman aller tijden de ‘Hypnerotomachia Poliphili' niet alleen volledig vertaald, maar bovendien binnen de actualiteit herschreven. Deze laatste parafrase van Perez Gomez toont de verhouding tussen erotiek en macht binnen de huidige alom aanwezige technologie van onze omgeving. Er
zijn dan ook evenveel geschiedenissen als er schrijvers zijn. Onderscheidde
Vasari in de Renaissance dus een rangorde in de geschiedenis door via
de fasen ‘geboorté, wasdom en verval’ het ideaalontwerp van de kunst
en de architectuur te verantwoorden, zo motiveerden de architecten van
de Moderne Beweging aan het begin van de 20e eeuw het ontwerp voor een
‘klassenloze’ internationale stijl door de oorsprong van de traditie
goeddeels te vernietigen. Recent hebben de postmoderne architect en
theoreticus ervoor gepleit om uit het kritisch samengaan van traditie
en moderniteit een nieuw chemisch huwelijk te smeden. Een huwelijk,
dat nu een uitgebreid netwerk aan inhouden en intenties omvat. Nog altijd
blijken feiten en ficties door elkaar te lopen of om met Rorty (de grondlegger
van de postmoderne filosofie en pragmaticus pur sang) te spreken: 'laten
we de vermeende tegenstelling tussen beiden opheffen'.
|