Samenvatting Architectuurgeschiedenis 1 (7U O50) inclusief alle oefeningen


Voorwoord

Geschiedenis en ontwerpen van architectuur zijn - in relatie tot elkaar - beide raadsels. Een ontwerp kan de geschiedenis immers het zwijgen opleggen, terwijl de geschiedenis van een ontwerp 1001 verhalen kan vertellen die elkaar allen tegenspreken. De paradox is dat er slechts helderheid ontstaat door het raadsel van beiden te vergroten, te intensiveren en te verruimen tot een realiteit die nu eenmaal complex maar daarmee ook compleet is.

Maar gaat het dan niet om heldere oplossingen? Moeten we de geschiedenis van de architectuur niet gebruiken om lessen te trekken uit haar lange duur, haar lange adem ? En krijgt een bouwkundig ontwerp niet ook een culturele duurzaamheid als het zich in een wijder tijdsbestek ontwikkelt dan in de korte adem van de actualiteit ? Natuurlijk, maar het is vooral het actuele inzicht, dat geschiedenis niet als eenduidige bewijs voor een goed ontwerp is te gebruiken.
Leek de geschiedenis aanvankelijk een opeenvolging van in zichzelf besloten stijlen, zo blijkt recent, dat geschiedenis eerder een complex aan ontwikkelingslijnen toont, dan één dominante lijn, die door een koning of een gemeenschap werd opgelegd. Geschiedenis blijkt afhankelijk te zijn van de geschiedschrijving. De al of niet zichtbare visie van de historicus blijkt zich te bewegen tussen een feitelijke reconstructie en een visionair verhaal. Zo ook de architect, die zich tussen traditie en moderniteit opstelt en de conventies met inventies combineert. In beide gevallen gaat het om een interpretatie cq een ontwerp, waarin feiten met overtuigingen worden vermengd. Dit mengsel is, hoe men ook tracht een helder inzicht te verkrijgen, een raadsel, dat zowel aantrekkelijk kan zijn of bedrieglijk.
Een ontwerp is dan ook altijd de neerslag geweest van een complex aan ontwikkelingen en met name geldt dit voor onze huidige pluriforme tijd. Hoe helder een ontwerp in ruimtelijk of constructief opzicht ook mag lijken gaat het altijd om haar raadselachtige kwaliteit. Een historicus ontkomt evenmin aan de combinatie van feit en fictie, opdat zijn tekst zowel informatief als boeiend is.
Het raadsel van een ontwerp, dat als gebouw de tijd overwint beschrijft op de een of andere wijze zijn kwaliteit. Het betreft de mythe van het object, die een balans vormt tussen realiteit en ideaal. Het ideaal kan de realiteit bezweren, maar de realiteit kan ook een ideaal maskeren. Daar het om een oneindig aantal idealen en realititen gaat bestaan er mythen en mythologieën (zoals Roland Barthes ze heeft beschreven), die niet slechts het verleden van de godenwereld betreffen, maar evenzeer de actuele wereld in haar ban houden. Het gaat er niet om deze mythen te mystificeren, maar om met de mythen te leren omgaan, daar ze zowel vitale krachten bevatten als dat ze tot duistere praktijken kunnen leiden. Hiertoe is het nodig om ze te houden en te onderhouden, maar tevens om er een onderhoud mee aan te gaan, een dialoog. Of het nu een klassiek monument betreft of een geavanceerde nieuwbouw moet de werkelijkheid van het ontwerp dan ook niet tot een enkelvoudig model van welk doel of doelgroep worden gereduceerd, maar moet op rationele wijze het irrationele karakter ervan worden aanvaard en benut om alle historische tegenstellingen en verschillen te respecteren cq te vitaliseren. Niet de werkelijkheid bezweren, maar ruimte scheppen voor een onbezworen werkelijkheid zou het doel moeten zijn van de architectuur en haar geschiedenis.


Voorwaarden en verwachtingen

Naast de hierboven geschetste mentale voorwaarden is het van belang om de oefening goed voor te bereiden door de teksten met de eventuele verwijzingen op zijn intentie tevoren goed te bestuderen, en benodigd materiaal te gebruiken. Hetzij een blad papier, hetzij het computerscherm. Op grond van de geadviseerde literatuur kan de aangeboden oefenstof verder worden verbreed. Het verdient aanbeveling om per atelier af te spreken hoe de bibliotheek wordt geraadpleegd, de nodige copieën worden gemaakt , vragen aan de assistent worden gecoördineerd en resultaten worden ingeleverd. Ieder moet zich er echter degelijk van bewust zijn dat de oefening grotendeels op zelfstudie en onderlinge dialoog aankomt.
De oefening kan op meerdere wijzen worden gemaakt zodat hij zowel aansluit aan de specifieke interesse van de verschillende studenten als dat hij een noodzakelijke orientatie biedt. Globaal zijn er drie typen benaderingen. Allereerst kan via een een zakelijk en algemeen traject een resultaat worden behaald, dat tot een voldoende beoordeling leidt.Voor hen, die de oefening intensiever willen uitwerken, ( zoals o.a. na de 1e fase óók een 2e fase-onderwijs bestaat ) en/of een hoger cijfer willen scoren, en/of willen herkansen, kan zowel gekozen worden voor een ontwerpende als een onderzoekende benadering of een combinatie van beiden. Het eerste gaat in op ontwerpstrategieën en het tweede stuurt aan op literatuur-studie. De datum van inlevering van de resultaten is na afloop van het 2e trimester na het hoorcollege. Globaal is de uitslag na een maand beschikbaar bij buro onderwijs.


SAMENVATTING VAN DE OEFENINGEN:


OEFENING 1 : M Y T H E

INFORMATIE:
Alvorens geschiedenis meer systematisch werd geschreven bestond voor iedere cultuur een scheppingsverhaal, waarin aanvankelijk op beeldende en non-verbale wijze de eigen mythologie een achtergrond vormde voor culturele objecten zoals bouwwerken. Het is een geschiedschrijving van de eeuwige duur, waarin de wereld van de goden de achtergrond vormde van onsterfelijke gebouwen. Gebouwen waren echter net als de mensen sterfelijk ; hun feitelijkheid is met de mythe van de eeuwigheid verbonden. Zo gold ook voor de geschiedschrijving zoals die van Herodotes en Homerus, dat de feiten en ficties met elkaar verweven waren.
Als in de 16e eeuw Vasari de geschiedenis beschrijft van de ‘levens van de kunstenaars’ ontstaat een ‘gepersonificeerde’ geschiedschrijving, die tenslotte in de zogeheten ‘stijlengeschiedenis’ is uitgemond, en welke met de termen : ‘geboorte, wasdom en verval wordt aangeduid. Dat wil zeggen dat de werken van de kunstenaars op een biografische wijze werden gerangschikt om tenslotte in een concept van voortschrijdende ontwikkeling van ‘schoonheid’ te worden beoordeeld.
Daarna ontstaan nog talloze historische procédees, waarin ofwel de ‘navolging van de Antieken‘ ( Winckelman ) ofwel ‘unevitable trends’ ( Jencks ) worden geponeerd, waarin nog altijd het spanningsveld tussen ‘verhaal’ en ‘feitelijke weergave’ aanwezig is. En buiten deze kring van professionele historici en kritici zijn er de schrijvers zoals Hella Haasse, Milan Kundera, Umberto Eco, György Konrád, Oek de Jong, Renate Dorrestein e.d. die behalve het ‘geheim van de schrijver’ zelf uiteen hebben gezet, hun persoonlijke betrokkenheid met de gebeurtenissen in de tijd hebben opgevat als een zoektocht naar een persoonlijke waarheid, waarin architectuur vaak in de meest brede en intrigerende zin aanwezig is.

OPDRACHT: Het bewerken van teksten vanuit feiten en ficties,


Stel je voor, dat je de eerste geschiedschrijver Herodotus bent, die toen hij Egypte binnentrok zei : ‘Hier is alles anders’. Of maak gebruik van Vasari’s biografische benadering. Put uit je eigen persoonlijke geheugen, van geboortehuis tot vacantiereis, van hoogte- tot ruïnevrees, feiten en ficties. En schrijf met krabbeltekeningen én documenten de geschiedenis van een gebouw waarvan je wakker ligt. Geef aan de ene kant je fantasie de ruimte, maar construeer tevens met behulp van tekstfragmenten van bestaande (geschied)schrijvers een objektieve intrige, onder motto’s als: het lege huis, de woeste hoogte, pleinvrees, de godverlaten ruimte, de constructie van de hemel. Bovenal gaat het om een architecturale vertelling, die tot een stellingname kan leiden. Vermijd een eindeloze woordenbrei van verzinsels. Het gaat om de spanning tussen feiten en fictie, die zich via een intrige in een plot ontlaadt.
Gevraagd : Een geïllustreerd opstel. Beperk je tekst na een zorgvuldige eindredactie tot een aantal handgeschreven of gelayoute pagina’s.

OEFENING 2: O O R S P R O N G

INFORMATIE:

Binnen het klassieke / primitieve wereldbeeld golden de 10 boeken van Vitruvius als maatstaven om gebouwen te ontwerpen en te realiseren. Zijn theorie heeft eeuwenlang via eigentijdse opvattingen de architectuur haar kwaliteit helpen verlenen om - zoals Vitruvius stelde – de “beunhazerij” te voorkomen. Ten onrechte reduceren (!) we vaak zijn complexe theorie tot slechts drie criteria: venustas, firmitas en utilitas met schoonheid als hoogste spiritueel streven als top van een driehoek met de maatstaven stevigheid en nuttigheid als tweezijdige materiële basis. Tegenwoordig maakt het utiliteitsdenken ( als hoogste culturele notie ) het begrip „schoonheid” hooguit deel uit van een ironisch T.V. programma. ( Margreet Dolman ) Dit terwijl het begrip „kwaliteit” zowel algemeen aanvaard als even complex van samenstelling is als schoonheid.
Onlangs stelde de architectuurhistoricus Auke van der Woud de vraag naar verloren schoonheid in de bouwkunst via de 19e eeuwse begrippen „waarheid en karakter”. Deze worden bepaald door een persoonlijke visie op óf een bijzondere verschijning van het gebouw óf door zijn „bestemming”: de functie. In onze eeuw is het doelmatige gebouw tesamen met een verantwoorde constructie en budget dé overwegende optie geworden . Dit functionele concept is onder meer door JNL Durand in de 19e eeuw radicaal geformuleerd door met schoonheid als stijlbegrip af te rekenen en alle gebouwen in de geschiedenis op hun functie te herleiden en te rangschikken. Zo was voor hem een tempel verwant met een kerk en een pyramide met een mausoleum. Hiermee was een eind gekomen aan het eeuwenlange Vitruvianisme, dat echter nog altijd latent aanwezig is, hetzij genuanceerd en kritisch ingezet hetzij gereduceerd tot een terugkeer naar de conventies.

OPDRACHT: Het toetsen van bouwwerken aan normatieve en klassieke regels

Beschrijf met de gegeven begrippen een Egyptische of Mexicaanse pyramide of tempel, een Griekse of Romeinse tempel, een Romaanse of Gothische kerk. Ondersteun de tekst met tekeningen van plattegrond, doorsneden en gevelopstand. Geef de globale ontstaansredenen aan die via de literatuur worden beschreven. Je zult merken, dat de regels van de architectuur, zowel voor meerdere bouwwerken en perioden gelden, echter zal tevens blijken hoe bouwwerken erzich eraan onttrekken respectievelijk er een kritische verhouding mee aangaan.
Dat geldt ook voor de regels van de tekening. Iedere tekenwijze toont een andere eigenschap van een gebouw. Om het te leren kennen is het meervoudig (her)tekenen een must.
Bedenk eens de ontbrekende doorsneden of ontwikkel een nieuw (?) kapiteel.
Gevraagd: tekst en tekeningen.


OEFENING 3: A V A N T G A R D E

INFORMATIE:

De les van de Renaissance betreft vooral het vermogen om een nieuw gebouw uit te vinden dat zowel gebaseerd is op de oude proportieleer van de Antieken (ontleend aan de ruïnes en de geschriften ) als op nieuwe ontwerp-methoden zoals het perspectief . Er ontstond een antropocentisch wereldbeeld met de mens als “uomo universalis, dat ons nu nog altijd in zijn greep tracht te houden , ook al sprak Nietzsche reeds in de 19e eeuw van een ‘menselijk, al te menselijk’.
De architect-kunstenaar Brunelleschi realiseert de nieuwe ruimteopvatting door zijn uitvinding van het centraalperspectief op het Middeleeuwse plein voor het Florentijnse stadhuis te projecteren. Maar als hij tesamen met andere opdrachten voor de Gilden een grote koepel - als de inventieve reconstructie van het Romeinse Pantheon - op de Gothische kathedraal Santa Maria del Fiore weet te plaatsen is op onweerlegbare wijze het Humanisme tot uitdrukking gebracht.
Alberti toonde - meer als architect-wetenschapper - zijn inventiviteit door een eveneens bestaande Gothische kerk : de Santa Maria Novella van een klassiek geproportioneerde gevel te voorzien. Zijn ontwerp voor de S. Andrea te Mantua toont met zijn terugkeer op de Romeinse triomfboog een concept, dat met een repetitie ervan een kerkgebouw schept, dat aan de gotische kathedraal een alternatief biedt.
Beide architecten tonen een intrigerende synthese tussen het Antieke repertoire en een moderne interpretatie ervan. Ook nu ontstaan talloze concepten (denkbeelden) die door de studie van voorbeelden (paradigma’s of precedenten) tot architectonische uitvindingen leiden. Het gaat hier zowel om een breuk als om een voortzetting van het verleden.We spreken dan van een kritische of creatieve imitatie die zich van een slaafse navolging onderscheidt.


OPDRACHT: Het extrapoleren van klassieke schoonheids- en consructie-beginselen

Beschrijf en schets op grond van doorsneden, plattegronden en gevels de verschillen en overeenkomsten tussen de getoonde voorbeelden en hun nieuwe interpretaties van - naar keuze- het Pantheon en Brunelleschi’s koepel te Florence respectievelijk de triomfpoort en Alberti’s kerk te Mantua.
Maak bij de schetsen gebruik van proportionele beginselen, van het perspectief of de isometrie. Wie weet ontstaat via de extrapolatie ervan een uitzicht op of een voorproef van de Barok door de tekeningen te transformeren.


OEFENING 4 : E X T A S E

In de periode van de Barok lijkt – als we het beeld van Sta Theresia door Bernini bekijken- de extase (Grieks : ek-stasis = vervoering) slechts neer te komen op een buiten zich zelf treden met het verlies van het eigen bewustzijn. Integendeel, het gaat om een volledig beheerste zij het gepassioneerde overgave aan het grootse, het ‘verhevene’ dwz aan datgene dat alle verstand te boven gaat en dat later door de filosoof Kant als het ‘sublieme’ wordt aangeduid. In de architectuur gaat het om het verkennen én uitdagen van de regels van het Renaissance-concept. Aanvankelijk als ‘Manièra’ ingezet, ging het voorts om een spel met de regels door deze door vervorming, vergroting en décentrering zó te sensibiliseren (de strenge regels met gevoel bewerken) dat het bouwwerk letterlijk excentriek werd. Het gaat immers om een spel van verleiding en prestige, waarin beheersing door de regels lijkt te vervallen om plaats te maken voor een theatrale expressiviteit Door het ‘zijns-karakter van het bouwwerk aldus te verhullen ontstaat zo een wereld van ‘schijn’.Vaak met zó’n vermogen dat het tot een schrikbeeld leidt de zogeheten ‘terror’. In onze tijd behandelt de filosoof Baudrillard de schijnwereld van de huidige verleidingsstrategieën als het ‘simulacrum’.

Een gebouw kan vrees aanjagen, als het de grenzen van zijn eigen vermogen trotseert en de tegenstellingen op de spits drijft. Barok-architectuur komt voort uit het conflict en is tevens de belichaming van. Denk aan de getordeerde reuzenkolommen zoals bij Giuilio Romano, duizelingwekkende koepels zoals bij Guarini en trappenpartijen zoals bij Da Vinci. Ondanks het fragmenteren en conflictueus arrangeren van de diverse elementen van een bouwwerk garandeert de Barok overigens een ‘eenheid in verscheidenheid’ Maar het is dan ook deze vaak imposante kwaliteit, die zowel tot bewondering als tot schrik aanzet.
Het is tenslotte verleidelijk om de wervelende vormen van de barokke architectuur te vergelijken met de recente aandacht voor “curvilineair and fluïd architecture” die recent via geavanceerde computer-toepassingen mogelijk is. Zo trachtte reeds eerder Giedion in zijn boek ‘Space,time and architecture’ de Moderne Architectuur af te leiden van “the undulating line” terwijl Norberg Schulz zijn vriend en architect Portoghesi de “20e eeuwse Borromini” noemde, omdat diens ontwerpen met hun concave en convexe vormentaal een al even ruimtelijk vermogen tonen om binnen en buiten, respectievelijk het privé- en openbaar domein te bespelen.


OPDRACHT: Het ontwikkelen van diverse betekenissen in woorden en tekeningen

Formuleer een aantal verbale kenmerken van Renaissance architectuur om ze vervolgens via diverse synoniemen te sensibiliseren zoals ‘rigide naar welvend, weelderig, voloptueus of van ‘beheerst naar gemaniëreerd, verleidelijk, wild’ Pas deze begrippen reeds eerder vervolgens toe op die vorm schema’s (1) zoals deze door Christian Norberg Schulz werden getekend resp. op die composities (2) die door Sedlmayer als „Lagerung” bij Fischer von Erlach’s Karlskirche werden beschreven. .
Naar keuze: 1. Systeem- en woordstudie in tekeningen
2. Compositie-studie in collages.

OEFENING 5: R A T I O

In de periode van de Verlichting wordt zowel aan het koele verstand geappelleerd als aan een redelijke moraal. Zo wordt het concept van de architectuur opnieuw vergeleken met dat van de Antieken, maar om de ‘vergissingen’ van de Renaissance en de escapades van de Barok te bezweren wordt allereerst een “rigoristisch” wetenschappelijke benadering vereist. En vervolgens wordt naar een democratisering van architectuur gestreefd, die via politieke omwentelingen mogelijk wordt.
Dan is er tevens de onrust van het “discours” waarin de toename aan kennis van de architectuur en de vrijheid van meningsuiting tot een schier redeloze uiteenwaaiering van
‘verhandelingen’ leidt, ieder met zijn eigen interne logica en onverhulde kritiek, echter met
onvermijdelijk externe tegenstellingen zoals o.a. tussen de “architecture parlante” die het ‘karakter’ vooropstelt en de ‘combinatieleer’ die de ‘doelmatigheid’ laat prevaleren.
Wat deze periode vooral typeert is het veroordelen van extreme vormen van kunstenaarschap. Deze leidden in de Barok tot de notie van het ‘sublieme’, nu gaat het minder een vermetele visie, maar vooral om de intelligentie met als extreem middel tot overreding : het slimme, en overtuigende argument. De gehele opeenhoping van argumenten draagt ongewild echter bij aan een onverhulde irrationaliteit, die met de verworpen ‘genialiteit’ van voordien vergelijkbaar is.
Het gevolg is, dat gebouwen zich op hun wetenschappelijke logica beroepen en zowel een zekere arrogantie uitstralen, maar in hun complexe interne opbouw respectievelijk hun onderlinge verhoudingen in de stad een poëtisch en onder meer bij Schinkel een Romantisch Classicisme belichamen. Tevens vormen zij in hun soms rigide, soms paradoxale helderheid en met het morele pleidooi voor democratisering de wegbereiders van onze ‘moderne’ tijd. De gebouwen leveren hiertoe een bijdrage middels een overmaat aan functionele en constructieve eigenschappen, vandaar dat Rykwert spreekt over ‘The First Moderns’.

OPDRACHT: Het combineren van tekstfragmenten en ontwerp-elementen.

Parafraseer het tractaat A door zinsneden uit tractaat B toe te voegen, woorden te vervangen zó dat in de interne logica ervan wordt veranderd en een betekenis ontstaat die aanvankelijk strijdig lijkt met de oorspronkelijke betoogtrant, maar die tenslotte een nieuwe redenering laat ontstaan. Het gaat erom de kunst van het overtuigende spreken -de rethorica- toe te passen. Of pas de tekst van tractaat A toe op de ontwerpmethode van B. Zo kan een pleidooi voor een strenge compositie bij Durand, toegevoegd aan de fantasie-ontwerpen van Ledoux, Boulleé en Lequeu een kritisch commentaar vormen, zodat een nieuw ontwerp het gevolg is.
Vanuit het werk van Clark & Pause, (die in plaats van ‘typologie’ de term ‘precedents’ gebruiken) kan ook de ‘combinatie-leer’ van Durand worden beoefend. Het is de bedoeling om volgens hun methode de eigenschappen van een gebouw in functionele diagrammen vast te stellen cq de combinatie van eigenschappen te veranderen, zodat een variant van de gegeven typologie ontstaat.


Gevraagd : 1. Een rethorische tekst door combinatie van strijdige vormen van betoog.
2. Een analyse via diagrammen van eigenschappen, welke door Clark & Pause op
grond van ‘precedenten’ zijn gedefiniëerd.

OEFENING 6 : R E V E I L

In de angstige verwachting, dat de sociale en industriële revoluties tot een teloorgang van de architectuur, het gezin, de stad, kotom tot het verdwijnen van het cultureel erfgoed zouden leiden, roepen diverse 19e eeuwse architectuur-theoretici op tot een terugkeer naar de ‘Geschiedenis’ als de bron van de ‘ware’ stijl(en), tevens en vooral naar de ‘Natuur als de moeder van de Kunsten of als de vader van de traditionele bouwmaterialen. Terwijl Durand eerder het stijlbeginsel veroordeelde ten bate van Nuttigheid, stelt oa Heinrich Hübsch in 1828 de vraag naar de Cultuur : ‘ In welchem Stil sollen wir bauen ?’

Vooral de fris opgeleide Polytechnische ingenieurs omarmden gretig de nieuwe materialen zoals ijzer, later het minder broze maar lenige staal, in combinatie met glas en later beton om de nieuwe Zeitgeist tot expressie te brengen : een ondernemerschap waarin de logica van techniek zonder al te aanwezige esthetiek de hoofdrol vervulde. Zo vormden de grote openbare werken zoals bruggen, stations en expositie-hallen tevens een ingrijpende bijdrage aan een nieuwe stedelijke openbaarheid.
Een tegenbeweging, waarin “Kunst, Industrie en Wetenschap” zouden moeten worden verzoend zoals de architectuur theoreticus Gottfried Semper stelde liet echter niet op zich wachten. De morele verontrusting rond het oprukkend ingenieursdenken leidde zowel tot een terugkeer naar het Middeleeuwse ideaal van het bouwgilde en het ambacht als tot een herstel van de Renaissance-experimenten. Onderling betwistten de tegenbewegingen elkaar in hun stellingnamen. Zo stond in Wenen de Jugendstilbeweging ( in Brussel de Art Nouveau ) met de ambitie om traditionele en moderne materialen op een “Natuurlijke” wijze samen te brengen tegenover, het standpunt van Adolf Loos,die deze overdaad aan “ornament” poogde te bestrijden door de dacht voor ‘das Andere’, dwz het wezenlijke verschil tussen materialialiteit en functionaliteit.

OPDRACHT: Het schrijven van een manifest en het tot expressie brengen van de techniek.

Stel een “ Manifest “samen, dat via woord en beeld oproept voor een herstel van maatschappelijke waarde middels architectuur. Hierin dient het woord niet slechts via het argument te overreden, maar vooral via de moraal de negatieve ontwikkeling te bezweren en een nieuw ideaal te scheppen. Tekst en beelden, dienen, die architectuur te tonen, waarvan de Schoonheid als ‘edele eenvoud’, of Natuur als ‘heilig vuur’ of het Gezin als ‘bouwsteen’ van de samenleving een wervend vermogen bevat om het (vermeend) ‘materialisme’ van de techniek te weerleggen.
Omgekeerd wordt gevraagd naar een polemische tekst, die de nostalgie en het conservatisme in de bouwkunst bestrijdt ter wille van dié visie op de bouwkunde die de bouwpraktijk in zijn opmars van de technische mogelijkheden meent te moeten ondersteunen met (vermeende) wetenschappelijke objectiviteit.
Tenslotte kan er ook voor worden gekozen om de logica van een ingenieurswerk via tekening of makette te realiseren.


OEFENING 7: F U N C T I E

INFORMATIE:

In de periode van de Moderne Architectuur is behalve sprake van een richtingenstrijd tussen o.a. het expressionisme van de Amsterdamsche School, het platoonse ideaal van de Stijl en het zakelijke streven van het Functionalisme tevens sprake van een tegenstelling tussen de progressiviteit van de internationale avantgardisten en het conservatisme onder invloed van de opkomende totalitaire regimes.
De zakelijke benadering lijkt hierin politiek het minst besmet. Zelfs distantieert oa de ’Groep ‘32’ zich van de politieke verwikkelingen. Met de these van Le Corbusier : ’het plan is de generator’, de CIAM manifesten, zoals die voor het ‘Existenz-minimum’ lijkt het functionele Plan zich boven de partijen te plaatsen en een objectieve ontwikkeling aan te sturen. Immers blijkt deze probleem-oplossende benadering tenslotte in bijna iedere ideologie te gedijen, dar deze de basale voorwaarden van een gelijkwaardig menselijk bestaan op de voorgrond plaatst. Het oorspronkelijk streven om de ‘klassen-ongelijkheid’ via architectuur te bestrijden is tenslotte niet veel over gebleven, ja, zijn de ambities van de architecten tot standaardisering tegen zichzelf gekeerd. In de nadagen van de 2e Wereldoorlog blijkt deze aanvankelijk heroïsche architectuur in de handen van architecten, maar later de burocratische architectuur in handen van de overheid en project-ontwikkeling te falen. De opkomst van de popcultuur in de jaren ‘60 leidt uiteindelijk tot de leuze: ‘de verbeelding aan de macht’ als tot de termen: ‘inspraak en actievoeren’. In dit spanningsveld van kunstzinnig anarchisme en politiek engagement blijkt de architecturale kennis van de eerste Avant Gardes te verdampen en zal zich tot de jaren ’80 een ambitie aftekenen om zowel het erfgoed van de Moderne Beweging als de geschiedenis opnieuw maar met een kritische blik te onderzoeken.

OPDRACHT: Het verhelderen van de krachtlijnen per periode of per persoonlijk oeuvre

Bestudeer het (reeds verkorte) hoofdstuk 17 uit Kenneth Frampton’s boek over Moderne Architectuur: “ Le Corbusier en de Esprit Nouveau 1907-1931.” Maak een keuze uit de volgende onderwerpen: 1) zijn visie op architectuur, resp. ingenieursesthethiek, 2)zijn biografie, reizen en internationale contacten, 3) zijn publicaties en ontwerpen met bijbehorende regels,
4) Visie van Colin Rowe op Le Corbusier.
Groepeer de typerende zinsneden per onderwerp en maak een geillustreerde, bondige samenvatting. Een tekst van 2 à 4 A4 die de status van een artikel heeft.
Of vat zelf een cruciaal hoofdstuk van de Moderne Architectuur samen respectievelijk vergelijk de teksten van twee auteurs, die beiden een zelfde periode beschrijven.

OEFENING 8: K R I T I E K

INFORMATIE:

Na de 2e wereldoorlog ontstaat eerst intern later extern kritiek op de Moderne Architectuur. De nadruk op functionaliteit die de overheid en bouwpraktijk op de ontwerppraktijk legde, heeft zowel de pluriformiteit van het alledaagse leven gereduceerd tot een gebruikers-cultuur als de culturele dimensie van de geschiedenis in een wegwerpcultuur omgezet. Allereerst ontstaat een populistische druk op de overheid en worden de architecten als ‘slippendragers van het kapitaal’ geweerd
Dan flakkert het architectuurdebat vanaf de jaren ‘60-’70 weer op om met de eis van ‘leefbaarheid’ nog één keer een ‘Goed Wonen’ na te streven om rond 1980 via spectaculaire Post Moderne manifesten een ongebreidelde stroom van individuele ontwerpvisies te produceren. Deze zijn overigens een resultaat zijn van ‘de postmoderne conditie’zoals deze door de filosoof Lyotard heeft is verwoord. Hij voorziet de vaak nostagische vluchtpogingen naar de geschiedenis van kritiek, daarnaast waardeert hij het streven naar ‘heterogeniteit’ wegens de oorlogsverklaring aan het ‘Ene’: het vaak commerciële streven naar ‘homogenisering’.
Voordien stelde Charles Jencks als woordvoerder van de ‘language of Post Modern
Architecture’ het definitieve fiasco van het ‘moderne project’ vast, dat in feite vanaf de Verlichting in werking is gesteld.Nu dit volledig zou zijn gefragmenteerd, tracht hij orde te scheppen door de diverse stromingen te ‘labelen’ en in stroomschema’s onder te brengen. Jencks’ geheime agenda is zijn pleidooi voor een ‘multivalente’ architectuur. Op zijn minst, zo stelt hij, moeten we aanvaarden dat vele opvattingen naast en in elkaar (moeten kunnen) bestaan. Dit was reeds in ’65 door de Godfather van het Postmodernisme Robert Venturi bepleit in diens ‘Complexity and Contradiction in Architecture’.
Waar het ‘moderne’ voorheen werd beschouwd als een vooruitgangsdenken dat het verleden achter zich liet, zoals een ‘oceaanstomer’ naar een nieuw bestaan voer, is de metafoor van het Post Moderne tijdperk volgens de filosoof Deleuze de ’surfplank’, waarop op lenige wijze op de diverse golfbewegingen moet worden gereageerd.De architect lijkt nog het meest op een Disk-Jockey en architectuur op een ‘sample’.Vaak gevoed door een intellectueel debat, maar wellicht nog vaker door alert maar intuïtief te reageren, houdt de architect zich binnen de vloedgolf aan mogelijke uitdagingen overeind. Het komt niet meer aan op een strenge onderwerping van de werkelijkheid door middel van modellen maar om de mogelijkhheden van de chaos(theorie) te benutten. Aan het eind van de 20e eeuw voorziet James Steele een mondiaal en rigoreus herstel van het Modernisme, een Supermodernisme


OPDRACHT : Het ontwikkelen van een kritisch commentaar

Evenals bij de eerste opdracht gaat hier opnieuw om een appèl aan de eigen fantasie, intuïtie en werkelijkheidsbeleving, maar nu op een doel bewust nivo. Als het Post Moderne bewustzijn onder meer kan worden omschreven als een commentaar op de inmiddels uitgeholde Moderne Architectuurbegrippen, is het de vraag hoe de crisis ervan zó kan worden versterkt dat een creatief proces er het gevolg van kan zijn. Zien we huidige architecten de pure witte vorm bestrijden met een expressieve kleur-en materiaalcontrasten of breken zij de perfectie ervan open , of extrapoleren zij de strikt constuctieve logica via gewaagde avances met een hogere technologie, of penetreren zij op sluwe maar elegante wijze het bestaande stadsweefsel, het zijn kortom de DJ’s van het bouwen.
.
En jij ? Zou jij de geijkte tradities niet -via het op scherp stellen van de vermogens van de vorm, van de constructie, van de functionele organisatie en dergelijke -een creatieve crisis kunnen uitlokken en tevens op ingenieuze wijze nuchter kunnen blijven ? Werd dit ooit “Maniërisme” genoemd met het doel om een nieuwe ‘schoonheid’ te verkrijgen en wordt dit nu met het eufemisme : ’kwaliteit’ omschreven. Het gaat gewoon om de ultieme ‘kick’ van de ontwerper en producent en het ‘wow’ van gebruiker en consument.Zij zijn immers beiden in een ‘extase’ van verleidelijkheid verwikkeld en door Baudrillard als het ‘simulacrum’ dwz als ‘schijnwereld’ beschreven.

De opgave is nu om een modern gebouw of ontwerp zó via woorden en schetsen te ‘bewerken’ dat een nieuwe, maar kritische visie kan worden afgelezen. Of geef in een postmodern gebouw aan hoe het verschilt van of herleid kan worden tot zijn moderne voorganger. Je kent zulke gebouwen toch wel ?!

Zo niet dan wordt het hoog tijd om de tijdschriften zoals Archis of de Architect op te slaan of auteurs zoals Jencks, Klotz , Tzonis e.a. te raadplegen of het werk van de architecten Stirling, Rossi, Eisenman, Gehry, Nouvel, Koolhaas, en vele anderen onder ‘andere’ ogen te zien. Ga er in ieder geval van uit dat de keuze voor een onderwerp voor jou een uitdaging betekent, hetzij om je eigen nuchterheid te prikkelen, hetzij om je intuïtie met argumenten aan te vullen.