Verantwoording



Architectuurgeschiedenis heeft binnen de faculteit bouwkunde een tweeledige functie. Het vak verbreedt de bouwkundige kennis tot een cultureel inzicht en stimuleert een kritisch academische houding. Daarnaast kunnen aan de geschiedenis van de architectuur denkbeelden worden ontleend, die de bouwkundig ontwerper ( van architect tot constructeur, van stedenbouwer tot bouwfysicus) conceptueel kunnen ondersteunen in zijn creatieve ontwerparbeid. In onderscheid met een opleiding tot de architectuurhistoricus, die op grond van bronnenonderzoek de geschiedschrijving in de meest brede zin theoretisch ontwikkelt, gaat het hier dus om een benadering van geschiedenis, die het inhoudelijk verrijken en het kritisch verbreden van de ontwerpcultuur op het oog heeft. Ofschoon geschiedenis wél de inspiratie en de bron van kennis kan vormen, kan het vak echter niet zonder meer als sluitend argument voor de ontwerpkeuzen worden gebruikt. De toekomst blijft ongewis. Men kan aan de geschiedenis dus geen recepten en bewijzen ontlenen, ze is hooguit als katalysator in te zetten. Het vak zet aan tot een meer genuanceerd lange termijn denken, dat in de actualiteit vaak wordt ontbeerd, daar korte termijn oplossingen effectiever en goedkoper lijken.

Afgeleid van de thematieken, die per periode in het college zijn behandeld, fungeert de oefening om spelenderwijs de beperkte college stof te verwerken. Maar vooral om architectuurgeschiedenis als bron van theoretische reflectie te openen en gaandeweg systematisch te ontplooien, zodat een bezoek aan de bibliotheek en het lezen van vakliteratuur een uitdaging gaan vormen.

De oefeningen stimuleren zowel het ontwerpen van architectuur als het onderzoeken van haar geschiedenis. Ze zijn pas geslaagd als het algemene karakter ervan op een persoonlijke en slagvaardige wijze wordt verwerkt en andersom indien persoonlijke fascinaties, via een concreet en controleerbaar gebruik van de geadviseerde literatuur, op een meer algemeen niveau zijn geplaatst. Daarom doet de oefening een beroep op het eigen plezier en oorspronkelijkheid van de ontwerper, maar tevens op de moed en de volharding van de onderzoeker om te vorsen en iets uit te vinden dat van algemene betekenis kan zijn. Het algemene karakter wijst op een diversiteit aan benaderingswijzen van zowel de geschiedenis als het ontwerp van architectuur. De persoonlijke inzet beoogt het prikkelen van een eigen ideevorming die tenslotte in de loop van de studie in een volwassen visie kan worden geobjectiveerd.

Objectivering van individuele ontwerparbeid houdt een theoretisch en daarmee praktisch moment in, waarin inzicht en visie helder worden. Het gaat hier niet om één starre theorie te vinden en te ‘theoretiseren’ maar om een beweeglijke en sensibele benadering te vinden, die het ontwerpend denken en handelen eerder stimuleert, dan determineert.

Verheldering van historisch onderzoek houdt eveneens theorievorming in, die bestaat uit de reflectie op diverse historische interpretaties, die zich in relatie tot het ontwerpen van architectuur in de verscheidene maatschappelijke realiteiten in heden en verleden aandienen.


prof.dr.ir.Gerard van Zeyl